GezinsPlatform.NL



GezinsPlatform tekent bezwaar aan

Inzake reclamecampagne Second Love

gepubliceerd: donderdag, 11 juni 2020

Begin maart berichtten we op deze site dat Gezins­Plat­form.NL een klacht had inge­diend bij de Reclame Code Com­mis­sie tegen de reclame­cam­pagne die Second Love op dat moment voerde met posters in de bushokjes van diverse ge­meen­ten.

Nadat de com­mis­sie de klacht afwees, heeft Gezins­Plat­form een bezwaar­schrift inge­diend. Dat heeft nu tot het re­sul­taat geleid dat er op 25 juni een digitale zit­ting wordt gehou­den waarbij het bezwaar­schrift mon­de­ling kan wor­den toe­ge­licht in maximaal 15 minuten.

Hier­on­der het bezwaar­schrift dat Gezisn­Plat­form.NL indiende na afwij­zing - tot twee keer toe - van de klacht over de Second Love bushokjes­cam­pagne door de Reclame Code Com­mis­sie.

Tekst bezwaar­schrift:

Betreft: bezwaar tegen voor­zit­tersaf­wij­zing (dVAF 2020/00221)

Geachte com­mis­sie,

Bij dezen maak ik namens Gezins­Plat­form.NL bezwaar tegen het terzijde leggen van onze klacht door de voor­zit­ter in zijn beslis­sing van 26 mei (dVAF 2020/00221). De beslis­sing gaat niet in op de kern van ons bezwaar, zoals correct ver­woord in de samen­vat­ting, en miskent hiermee dat sprake is van een nieuw en rele­vant gezichts­punt waarover de com­mis­sie zich ten aanzien van deze reclame nog niet heeft uit­ge­spro­ken.

De voor­zit­ter vol­staat in zijn afwij­zing met het schetsen van het kader en de positie van de com­mis­sie inzake smaak, fatsoen en goede zeden. Wij waren reeds op de hoogte van deze stand van zaken en we begrijpen dat er op dat punt geen nieuwe vragen aan de orde zijn. De inhoud van de reclame als zodanig was daarom ook niet de reden om bezwaar te maken. Onze kri­tiek richt zich in hoge mate op een ander onder­deel.

In onze klacht en in ons bezwaar tegen de afwij­zing door het se­cre­ta­riaat stond centraal het ver­trouwen dat bur­gers in reclame mogen hebben. Het gaat daarbij om artikel 5 van de Reclame Code. Dat artikel is in pro­ce­dures tegen deze adver­teer­der nog niet aan bod geko­men. De ge­wij­zigde opstelling van de adver­teer­der ten aanzien van het reclame maken op de publieke omroep is hierbij een nieuw en rele­vant gegeven. Het is van wezen­lijk belang te weten hoe uw com­mis­sie oor­deelt over de ver­hou­ding tussen het adver­te­ren op de publieke omroep en in het publieke domein. Naar onze mening is het ver­trouwen in de reclame in het geding indien het adver­te­ren op de publieke omroep kenne­lijk, en door adver­teer­der zelf, op gespannen voet staat met de belangen van min­der­ja­rigen, terwijl die­zelfde reclame in de publieke ruimte onvermin­derd doorgaat. Onze vraag is niet zozeer wat uw inhou­de­lijke oor­deel is over deze reclame, maar wat de con­se­quenties moeten zijn van de con­clu­sies die betrokken partijen, waar­on­der de adver­teer­der zelf, inmiddels hebben getrokken over de scha­de­lijk­heid of onwen­se­lijk­heid van deze reclame.  

Met enige verba­zing hebben wij gelezen dat de gewraakte reclames volgens de voor­zit­ter in geen geval in strijd kunnen zijn met de Reclame Code, ongeacht de grond­slag die wordt aange­voerd. Daar­mee lijkt aan de adver­teer­der een vorm van immuni­teit te wor­den toegekend, niet alleen voor wat betreft de inhoud van de reclame, maar zelfs voor wat betreft de handel­wij­ze. Dat kan niet de bedoeling zijn en het lijkt ons strij­dig met de zorg­vul­dig­heid en de verant­woor­de­lijk­heid die de Reclame Code verwacht.

We zien uw oor­deel met belang­stel­ling tegemoet. Uite­raard zijn we graag bereid desgewenst nadere toelich­ting te verschaffen.